Madame Bovary – Deel 2

Hoofdstukken 1 – 8

1. In dit hoofdstuk maken we kennis met Yonville-l’Abbaye en enkele personages waarmee de Bovary’s in het dagelijkse leven te doen hebben. De zelfingenomen apotheker Homais, de koster Lestiboudois, pastoor Bournisien, de belastingontvanger Binet, de gewiekste stoffenkoopman Lheureux en de jonge notarisklerk Léon.

2. Tijdens het avondmaal in de herberg De Gouden Leeuw maakt Emma kennis met Léon en ze komen tot de vaststelling dat ze beiden van literatuur en van muziek houden (…) en tegenwoordig ben ik juist dol op verhalen vol spanning, die je in één adem uitleest. Ik heb een hekel aan alledaagse hoofdpersonen en middelmatige gevoelens, getekend door de werkelijkheid (Emma).

3. Emma bevalt van een dochtertje, Berthe, dat onmiddellijk aan een min wordt uitbesteed; samen met Léon brengt ze een bezoek aan de min (…) Zij wilde een zoon hebben; hij moest sterk zijn en donker en zou Georges heten; en deze gedachte, om een mannelijk wezen voort te brengen, koesterde zij als een kans op vergelding voor al haar machteloosheid uit het verleden. Een man is tenminste vrij; hij kan zijn hartstochten uitleven, door de wereld zwerven….Een vrouw daarentegen wordt voortdurend belemmerd. Passief en meegaand tegelijk heeft zij de zwakheid van het vlees en haar wettelijke afhankelijkheid tegen.

Emma gaat haar dochtertje opzoeken bij de min maar voelt zich zwak en vraagt Léon om haar te vergezellen (…) Nog dezelfde avond wist heel Yonville ervan, en mevrouw Tuvache, de burgemeestersvrouw, verklaarde in het bijzijn van haar dienstbode, dat madame Bovary  zich compromitteerde.

Op de terugweg (…) Hadden zij elkaar dan niets anders te zeggen? Hun blikken spraken toch een veel ernstiger taal; en terwijl zij zochten naar alledaagse zinsneden, voelden beiden hoe een zelfde verlangen zich van hen meester maakte: iets als een fluisteren van de ziel, diep en aanhoudend, dat hun woorden overstemde. Verrast en verbaasd als zij waren over deze ongekende weelde, kwam het niet in hen op deze gewaarwording voor elkaar uit te spreken of om zich te verdiepen in de oorzaak hiervan.

4. Een partijtje kaart met Homais en Léon; de vriendschap tussen Emma en Léon groeit (…) Zo ontstond tussen hen een zeker bondgenootschap, een voortdurende uitwisseling van boeken en romantische liederen. Bovary, een weinig jaloerse man, vond dit niet bevreemdend.

5. Het bezoek aan de nieuwe vlasspinnerij; Lheureux probeert Emma te verleiden bij hem in te kopen maar ze zwicht niet; de voorbeeldige huisvrouw (…) De dames in het dorp prezen haar zuinigheid, de patiënten haar beleefdheid, de armen haar liefdadigheid. Maar zij werd verteerd door verlangen, door woede en wrok. Haar japon met stijve plooien verborg een ontredderd hart, en haar zo kuise lippen verrieden niet haar gekweldheid. Ze was verliefd op Léon en zocht de eenzaamheid om zich in alle rust aan zijn beeld te verlustigen. Wanneer zij hem in levenden lijve zag, verstoorde dit het genot van haar overpeinzingen.

6. Emma bij pastoor Bournisien; de verwonding van Berthe; Léon vertrekt naar Parijs om er zijn rechtenstudies af te maken.

Emma bij pastoor Bournisien (…) Zij zag de priester smekend aan. ‘Ja…,’ zei ze, ‘u verlicht alle smarten.’ ‘O, praat me er niet van, madame Bovary! Vanochtend nog moest ik naar Bas-Diauville voor eenkoe die kolieken had; ze dachten daar dat het hekserij was. al hun koeien, ik weet niet hoe…Maar neemt u mij niet kwalijk!’

Emma verliest haar geduld en duwt Berthe van zich af die valt en haar wang openhaalt aan een koperen handvat van de commode.

Léon is uitzichtloos verliefd en heeft genoeg van Yonville en zijn bewoners. Hij besluit om zijn rechtenstudies af te maken in Parijs.

7. De moeder van Charles Bovary verbiedt Emma om romans te lezen; de aderlating van de knecht van Rodolphe Boulanger; Emma maakt kennis met Rodolphe.

(…) Van nu af aan was de herinnering aan Léon het brandpunt van haar verdriet; dit schitterde heller dan een door reizigers in de sneeuw van de Russische steppe achtergelaten vuur (…) Haar liefde taande naarmate hij langer weg was, het verlangen werd gesmoord door de gewenning, en het schijnsel dat haar bleke hemel in een purperen gloed had gezet, vervaagde langzamerhand en ging op in het duister (…) Nu begonnen de kwade dagen uit Tostes van voren af aan. Zij vond dat zij dit keer nog veel ongelukkiger was, want zij had nu ervaring met liefdesverdriet en wist zeker dat hier nooit meer een einde aan zou komen. Een vrouw die bereid was zulke zware offers te brengen, kon zich best een paar grillen veroorloven. Zij kocht een gotische bidstoel en besteedde in één maand veertien frank aan citroenen om haar nagels schoon te maken…

Rodolphe mijmert over Emma waarmee hij kennismaakte tijdens de onhandige aderlating van zijn knecht(…) ‘best knap, dat doktersvrouwtje! Mooie tanden, donkere ogen, een bekoorlijk voetje en het figuurtje van een Parisienne. Verdraaidd, waar komt ze vandaan? Waar heeft hij haar opgedoken, die dikkerd?’ (…) ‘Hij lijkt me erg dom Ze heeft vast genoeg van hem. Hij heeft vuile nagels en een baard van drie dagen. Terwijl hij achter zijn patiënten aansukkelt, kan zij thuis zijn sokken stoppen. En ze verveelt zich! Rodolphe beslist om haar voor zich te winnen tijdens het landbouwcongres dat zal plaatsvinden in Yonville.

8. Het landbouwcongres; Rodolphe maakt Emma het hof.

Aan de arm van Rodolphe gaat Emma naar het landbouwcongres (…) Toen spraken zij over de middelmatigheid van het bestaan in de provincie – waar zoveel levens verstikten, zoveel illusies verloren gingen.

Vanaf de eerste verdieping van het gemeentehuis kijken Emma en Rodolphe neer op de tribune. Tussen de verschillende speeches door maakt Rodolphe Emma het hof.

(…) ‘Eenmaal komt dat,’ (het geluk) herhaalde Rodolphe, ‘eens, plotseling, als je er al aan wanhoopt. Dan doemen er nieuwe horizons op en het is of een stem ons toeroept: “Daar is het!” Dan voel je de behoefte om aan die persoon je leven toe te vertrouwen, om deze mens alles te geven, alles op te offeren! Je hoeft elkaar niets te verklaren, je kunt elkaars gedachten raden. je hebt elkaar al ontmoet in de droom. (Hij keek haar aan.) Eindelijk  dan is hij daar, de schat die je zo lang gezocht hebt, daar, vóór je, stralend en fonkelend. Maar je twijfelt nog, je durft het niet te geloven; verblind blijf je staan, alsof je uit het duister vandaan in het licht treedt.’ (…) Rodolphe drukte haar hand en voelde hoe warm die was, bevend als een gevangen tortelduif die weer wil wegvliegen; maar of zij nu een poging deed om los te komen, of dat zij werkelijk zijn handdruk beantwoordde, zij maakte een beweging met haar vingers en hij riep uit: ‘O, ik dank u! U verstoot mij niet! Wat bent u goed! U begrijpt dat ik u toebehoor! Laat mij u toch blijven zien, u aanschouwen!’

Wordt vervolgd…

Advertenties

Een reactie plaatsen

Opgeslagen onder Boeken, Klassiekers

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit / Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit / Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit / Bijwerken )

Google+ photo

Je reageert onder je Google+ account. Log uit / Bijwerken )

Verbinden met %s