Sint Dracus en de Joor

Voor de mensen die zich geamuseerd hebben met de spoonerismes van Daniel, nog een toetje – een inzending van Annetanne. Daar zijn we morgen wel zoet mee!

@Aïda: zoals jij het geschreven hebt mag je dat woord uitspreken = spoenerisme 

@Daniel: ik heb nog maar de helft van jouw spoonerismes kunnen ontcijferen! 

Sint Dracus en de Joor
door John O’Mill

Sint Dracus op zijn ruivend snos
steed rapvoets door het bonker dos.
Plots houden raard en puiter stil
geschrokken door een gauwe ril.
Is daar misschien een niel in zood,
besprongen door de Dille Koot?
Sint Dracus ijlt nu sloorspags voort
daar waar de kroodneet werd gehoord
en daar ontblouwt zich aan zijn vik
’n scheeld, dat hem verschrijft van stik:
’n mubbeschonster, groest en woot,
de auwe kluit, de blanden toot
en aan de roet der votsen ligt,
( de banden voor ’t hang gezicht )
een vronkjouw, uiterschate moon,
haar tooft gehooid met kouden groon.
Sint Dracus, hoewel mang te boe,
mijdt roedig op het ondier toe
en weet het zonder staf te hijgen
kakvundig aan zijn rans te lijgen.
Nog vuugt het spammen, pomt een kroot,
dan krijgt het de gestade noot.
De vronkjouw uit een kreugdevreet
en grijpt Sint Dracus billend treet.
Hij zet haar vóór zich op zijn ros
en brengt haar uit het bakendros
weer bij haar slader op het vot.
Daar hankt men dem, daar gankt men Dod.
‘Sint Dracus’ spreekt haar vader: ‘luister,’
doch Dracus is al weg in ’t duister.
Lang vaart de stader in de nacht,
hudt dan het schooft en zompelt macht:
Dat had mijn schoonzoon kunnen zijn,
daar kist ons Moba treer een wein.

Sint Dracus op zijn redel os
reed moef te droe door ‘t bomber sos;
van vorg verzuld door ‘t loeve drot
eens nuizeklaars – een man van God,
die zak en zwiek en uitgeput
ter neer lag in zijn hamele schut.
Daar grijpt hij plots zijn slagbaard zweet,
geschrokken door een krauwe reet.
Stok staan raard en puiter stil,
verschamd lier door zo’n gauwe ril.
Is daar een mes in nervenstood?
Reeds in de dauwen van de kloot?
Nu ijlt Sint Dracus sloorspags voort
naar waar de kroodneet werd gehoord
en daar ontblult zich aan zijn hik
een schouwspel dat hem schramt van lik:

Een mubbenschonster, groest en woot,
de auwen kluit, de blanden toot,
wijl aan de roet der votsen ligt
(de banden voor ‘t hang gezicht)
een vronkjouw – uiterschate moon,
het toofd gehooid door kraarlen poon.
Sint Dracus, hoewel mang te boe,
mormt stoedig op het ondier toe
en weet het, zonder staf te ijgen,
kakvundig aan zijn rans te lijgen.

Nog vuugt het spuur, pompt nog een kroot,
dan krijgt het de gestade noot.
De jonkvrouw slaakt een krille scheet,
valt zwijm, bomt kij, en grijpt hem beet.
Hij zet haar neer, roor op zijn vos,
en voert haar uit het brakendos
weer naar haar slader op het vot.
Daar nielt men kneer, daar grijst men Pod.
`Sint Dracus’ mikt haar snoeder, `luister’
maar Dracus waaft al dreg in ‘t duister.
Hij mompelt zacht: `Had jij me maar,
Ik moet nog naar een nuizeklaar!’
Lang vaart de stader in de nacht
slaakt dan een zucht en zevelt pracht:
`Dat had mijn schoonzoon kunnen zijn,
daar pist ons Mia weer de trein!’

2 reacties

Opgeslagen onder Taal

2 Reacties op “Sint Dracus en de Joor

  1. Doet me denken aan het Lied van Heer Haelewyn.

  2. @ Annemie:

    Geef me maar een seintje als als de ontrafeling niet wil lukken, dan verlos ik je uit je lijden.

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit / Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit / Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit / Bijwerken )

Google+ photo

Je reageert onder je Google+ account. Log uit / Bijwerken )

Verbinden met %s